Invloed van het woonland op de alimentatie: wat betekent dit voor jouw situatie?

Steeds vaker wonen ouders na een scheiding in verschillende landen. Dat kan aanzienlijke verschillen opleveren in woonlasten, dagelijkse uitgaven en koopkracht. Waar in Nederland relatief hoge kosten voor levensonderhoud gelden, kunnen die kosten in andere landen aanzienlijk lager liggen.

In alimentatiezaken wordt traditioneel gewerkt met Nederlandse normen en forfaitaire bedragen. In internationale situaties kan dat echter tot een vertekend beeld leiden van de daadwerkelijke financiële positie van een ouder.

Correctie op de behoefte van de alimentatiegerechtigde

De alimentatiebijdrage wordt bepaald aan de hand van de financiële behoefte van de alimentatiegerechtigde enerzijds en de financiële draagkracht van de alimentatieplichtige anderzijds. In de rechtspraak was al eerder aanvaard dat de behoefte van een alimentatiegerechtigde kan worden gecorrigeerd wanneer die persoon woont in een land met lagere kosten van levensonderhoud. De gedachte daarachter is dat eenzelfde bedrag in het ene land meer koopkracht vertegenwoordigt dan in het andere land.

Wanneer een kind of alimentatiegerechtigde in een land woont waar de kosten van levensonderhoud lager zijn dan in Nederland, kan dat dus aanleiding zijn om de behoefte neerwaarts bij te stellen. Daarmee wordt geprobeerd aan te sluiten bij de daadwerkelijke kosten die in het betreffende land gemaakt moeten worden.

Ook correctie mogelijk aan de zijde van de draagkracht

Een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat zien dat deze redenering niet alleen relevant is voor de behoefte van de alimentatiegerechtigde, maar ook voor de draagkracht van de alimentatieplichtige.

Het hof oordeelde dat bij de bepaling van de draagkracht rekening mag worden gehouden met de feitelijke kosten van levensonderhoud in het land waar de onderhoudsplichtige woont. Indien die kosten aanzienlijk lager liggen dan in Nederland, kan dat betekenen dat de ouder meer financiële ruimte heeft voor het betalen van alimentatie.

In de betreffende zaak woonde de onderhoudsplichtige in Polen. Het hof stelde vast dat de kosten van levensonderhoud daar ongeveer 40% lager liggen dan in Nederland. Tegen die achtergrond achtte het hof het redelijk en billijk om een correctie van 40% toe te passen op de noodzakelijke kosten van levensonderhoud waarmee bij de draagkrachtberekening rekening werd gehouden. Hierdoor viel de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtige hoger uit dan wanneer uitsluitend met Nederlandse normen zou zijn gerekend.

 

Deze uitspraak laat zien dat internationale alimentatiezaken maatwerk vereisen. Niet alleen het inkomen van partijen is relevant, maar ook de economische realiteit van het land waarin zij wonen. Heb je vragen over dit onderwerp of wil je advies over jouw specifieke situatie? Neem dan gerust contact op met een van onze advocaten.